Verder volgens...
200

Geen strategische autonomie zonder industrie
Door de sluiting van de Straat van Hormuz zijn in Europa opnieuw alle alarmbellen afgegaan. We worden weer met de neus op de feiten gedrukt: Europa blijft gevaarlijk afhankelijk van geïmporteerde energie. Het is dus begrijpelijk dat de roep om versnelling van de energietransitie aanzwelt. Waren we verder geweest, dan was de pijn nu waarschijnlijk minder groot geweest. Maar zo simpel is het niet.
Olie en gas zijn namelijk maar een deel van het probleem. Onze kwetsbaarheid zit dieper. Al jaren staan de energie-intensieve Europese industrieën onder zware druk. Hoge energieprijzen, oplopende regeldruk en klimaatbeleid hebben de concurrentiepositie uitgehold. Het gevolg: productie verdwijnt, de industriële basis kalft af en Europa wordt steeds afhankelijker van import van kritieke grondstoffen en halffabricaten. Misschien goed voor de Brusselse emissiestatistiek, maar niet per se voor het klimaat. En zeker niet voor onze strategische autonomie.
De cijfers zijn veelzeggend. Het mondiale marktaandeel van de Europese chemiesector is gedaald van 21% in 2009 naar 13% in 2024. Van de Europese primaire aluminiumproductie is in twintig jaar tijd ongeveer de helft verdwenen. En dat terwijl de vraag juist stijgt, mede door elektrificatie, netverzwaring en defensie-investeringen. We hebben dus minder eigen productie, terwijl we er strategisch meer van nodig hebben.
Een deel van die productie is verschoven naar regio’s met goedkope energie, waaronder het Midden-Oosten. En precies daarvan zien we nu de rekening. Aluminium, petrochemie en kunstmest zijn allemaal sectoren waarin het Midden-Oosten een cruciale rol speelt. Bij een langdurig conflict dreigen dan niet alleen hogere prijzen, maar ook echte tekorten in halffabricaten en basismaterialen waar de rest van de economie op draait.
Wie denkt dat de energietransitie dit automatisch oplost, houdt zichzelf voor de gek. Ja, minder afhankelijkheid van olie en gas uit instabiele regio’s is winst. Maar daar komen nieuwe afhankelijkheden voor terug. Europa is nog altijd sterk in windturbines, maar op veel andere cruciale onderdelen is de positie zwak. Voor zonne-energie zijn we vrijwel geheel afhankelijk van import, vooral uit China. Bij batterijen zit de Europese zwakte vooral in de keten van grondstoffen, verwerking en materialen. Ook de magneten voor windturbines komen grotendeels uit China. En voor veel grondstoffen en halffabricaten achter de noodzakelijke netverzwaring geldt hetzelfde. We ruilen dus de ene afhankelijkheid in voor de andere, en noemen dat vervolgens vooruitgang.
Uiteraard ziet Brussel die zwaktes ook. Daarom worden de ene strategie, act, roadmap en doelstelling na de andere opgetuigd. De Critical Raw Materials Act moet ervoor zorgen dat Europa in 2030 minstens 10% van zijn strategische grondstoffen zelf wint, 40% zelf verwerkt en 25% via recycling terugwint. Daarnaast mag de afhankelijkheid van een derde land niet boven de 65% uitkomen. Het zijn mooie ambities, maar het ziet er niet uit dat we die doelen gaan halen. En dus kwam er in maart 2026 weer een plan bij: de Industrial Accelerator Act, die “Made in Europe” moet gaan stimuleren.
Om een Rotterdams gezegde aan te halen: geen woorden, maar daden. Als Europa strategische autonomie serieus neemt, zal het eindelijk keuzes moeten maken. Minder symboolpolitiek, meer realisme. Minder wensdenken, meer industriebeleid. En hoe je het ook wendt of keert: zonder concurrerende energieprijzen blijft strategische autonomie vooral een papieren ambitie.
In 'Verder volgens...' duiden de auteurs op persoonlijke titel financiële thema's.
Deze week geschreven door Coen van de Laar, Senior Investment Strategist.
Wil je reageren op dit artikel? Mail ons >
Achmea Investment Management
Investment Strategy
Postadres Postbus 866, 3700 AW Zeist
Bezoekadres Handelsweg 2, 3707 NH Zeist